Historiek

Uitgebreide informatie over de historiek van Machelen en Diegem vind je hieronder.

Toponymie

De precieze betekenis van de plaatsnaam Machelen berust nog steeds op veronderstellingen. Op het eerste zicht zou men zowel voor Mechelen als voor Machelen op eenzelfde oorsprong kunnen tippen. De tweede letter zou dan gewoon een dialectische variante zijn. Voor Machelen luidt de oudste vermelding uit 1179 Machala, van het oudgermaans Magelinum, dat het machtige zou betekenen. In zijn geschiedenis van Machelen, verwijst Frans Geerts naar oorkonden uit 1210 en 1234, waarin men spreekt van Machele of Machela en later in 1243 van Machle. Hij verklaart ter zake: Machala, Machalum, zou volgens het Gallisch woord Machau "graanschuur" betekenen.

 

Ook voor Mechelen werd in de oudste documenten als tweede letter de a geschreven. Deze plaatsnaam komt voor het eerst voor als Malinas (870), Maslinas (912), later Machlina, misschien afkomstig van Machal of Malhum = vergadering van vrije mannen, resp. gerechtsplaats. Voor Mechelen-aan-de-Maas verwijst men eveneens naar de letter a in de oudste vermelding van 1062 als Mahle, van het Germaans Magalinum = machtig. De onomastica houdt het voor Mechelen- Bovelingen eveneens bij de letter a in de oudste vermelding 1131, die weer Malinas luidt. Zo knopen we opnieuw aan bij het voornoemde Malinas of Maslinas voor Mechelen zelf. De Franse vertaling luidt trouwens ook Malines.
Max Servais gaat voor de naam van de stad Mechelen terug naar Maslinas (870) en Machlihas (1008). Deze schrijfwijze zou afgeleid zijn van het oud- Nederlands Machel of Mahl, dat vergaderplaats, tribunaal betekent.

 

Voor Diegem kwamen in de loop der eeuwen de meest uiteenlopende schrijfwijzen voor, maar ze hadden allemaal de eerste lettergreep van deze gemeentenaam identiek: Dyd, Did of Died. In 1223 schreef men Dydenghem, wat kan ontleed worden als Died-ingha-heim. Heim betekent nederzetting, woonplaats; ingha doelt op inwoners, ingezetenen. Alleen Died stelde een zwaar probleem. Er zijn verschillende meningen over. Zo vermeldt Max Servais Diegem in 1208 als "Didenghem of woning van de familie van Thiuda". Volgens Carnoy was Diegem een Frankische nederzetting. In de naam zag hij de woonplaats van de lieden van Dido of ouder nog van Theodo, waarin theud verwees naar volk. Chotin gooide het over een heel andere boeg: "Son nom signifie village du vallon. Il a pour radicaux delling, la même que delle, dal, vallon, et hem, demeure". Het Woluwedal spreekt zeker in zijn voordeel, maar van 'did' naar 'dal' is een hele sprong! Bij A. Wauters gaat het over Slavische godheden: Dido, kleinzoon van Odin, zoon van Lado, godin van de schoonheid, en broer van Lalo, god van de liefde. J. Van Overstraeten zit op het goede spoor: bij de plaats Didisheim (die zeer sterk lijkt op ons Didenghem) verklaarde hij dat 'dit' of 'did' het indogermaans is voor moeras (DE TOERIST, 28.9.1978). Gezien de streek hier tal van moerassen kent, houden wij het voor ons Didenghem bij de woonplaats nabij het moeras. Het betreft een hybridische samenstelling: een Frankische vestiging bij een moeras, dat reeds zijn naam putte uit het Indogermaans.

 

De Sint-Katarinamolen op Nijpezele werd door Ferraris (1777) geschreven als Taufmeulen. Aangezien deze afhing van het Hof van Diegem, zou dit de dialectische uitspraak kunnen zijn van tHofmolen = tHofmeulen. Hof en hofstede zijn gelijk aan hoeve, zodat men later ook wel dHoevemolen kan geschreven hebben wat uiteindelijk leidde tot Duivenmolen, zoals we hem hedendaags nog kennen. Het is de enige nog overblijvende watermolen te Diegem (Sint-Katarinastraat 56), stilgelegd sedert 1973 en sedertdien volop aan verval prijsgegeven. Hij is praktisch de laatste getuige van de vroegere 14 molens, die tijdens vorige eeuwen de welvaart van de gemeente uitmaakten. De Kleetlaan verwijst naar het toponiem de Clete ( = de Klaarte) , in het Frans 'la Clairiere', open plek in het bos. De Schetsstraat is een verkeerde interpretatie van de Scystrate, gelegen op het Scytveld (zijnde het schijdingsveld tussen Machelen en Diegem inzake tiendengebied) en niet "un champ de tir", zoals Chotin destijds voorstond.

Geschiedenis

In de 12de eeuw vindt men te Machelen heren van de families genaamd van Kraainem, van Saventem, van Nossegem, die verbonden waren aan de hertogen van Brabant. De schepenen van de heer van Machelen oefenden vanaf 1225 de jurisdictie uit en volgden de costuimen van Nijvel. Zij gingen ten hoofde naar Sint-Kwintens- Lennik. F. GEERTS noteerde dat omstreeks de 13de eeuw te Machelen een grote burcht werd opgericht en dat het dorp in het bezit kwam van Walter van Moerzeke, die het in leen hield van de hertog van Brabant. In de 14de eeuw werd het dorp toegewezen aan Filips van Maldegem, die deel uitmaakte van een der oudste brongeslachten van Vlaanderen. Hij had namelijk in 1364, samen met zijn vader en broeder, deelgenomen aan de gekende veldslag bij Auray in Bretagne (Frankrijk). Later werd Machelen gekocht door Meester Vander Beken, raadsheer van Brabant (1497-98). Hij had de hoge, middelbare en lage rechtsmacht van de "vorsterie" van het dorp in pand. In deze eeuw waren er 60 grondgebruikers van de heer van Machelen. Zijn rechtsmacht strekte zich uit over 9 volle en 36 kleine lenen. Rond 1654 liet de toenmalige eigenaar, graaf Lamoraal II, Claude-Francois van Turn en Tassis, het kasteel Beaulieu oprichten. Buiten het hoofdgoed Beaulieu, telde Machelen toen nog verscheidene andere landgoederen van tweede rang. Veel later, in 1717, werd Machelen in openbare verkoop toegewezen aan Pierre-Antoine, baron van Colins, heer van Waver. Onder het keizerrijk van Napoleon Bonaparte behoorde Machelen tot het "département de Ia Dyle". Na de val van Napoleon, van 1815 tot 1830, kwam de gemeente onder Hollands bestuur. Archieven van het kadaster uit die tijd tonen aan dat de koning der Nederlanden ongeveer 35 ha landgoederen in eigendom bezat te Machelen, onder de benaming " op de Loo ". Vanaf 1830 tot in 1914 kende de gemeente een vredig bestaan, zoals elk ander rustig en landelijk dorp, verscholen als het lag tussen verschillende grote landgoederen: Beaulieu, Belval, Pellenberg en andere. Tijdens de 1e wereldoorlog kende Machelen geen verwoestingen, maar gedurende de oorlog 1940-45 had het mede te lijden van de talrijke bombardementen van de geallieerden op de luchthaven van het nabije MeIsbroek, alsook op de vele industriecomplexen.

 

Tijdens de jongste anderhalve eeuw houdt de demografische beweging ongeveer gelijke tred met de industriële uitbreiding van het grondgebied. Vermoedelijk was de verhoging van vorige eeuw te danken aan de verbetering van de verkeersmogelijkheden door aanleg van de spoorlijn Brussel-Antwerpen. Vanaf de eeuwwisseling kwam er geleidelijke vestiging van de eerste industriekernen. De bevolking groeide na de oorlog 1914-18 aan om reden van de verkavelingen der domeinen Beaulieu en Belval, de industrialisatie op de aldus vrijgekomen terreinen, de uitbreiding van de witloofteelt op de vruchtbare Machelse gronden, het oprichten van ongeveer 600 arbeiderswoningen, de vestiging van handelaars, middenstanders en neringdoeners, de grote economische welstand en de grondige evolutie van de levensvoorwaarden der bevolking.

Volkskunde

Vroeger kende Machelen enkele bloeiende schuttersgilden, o.a. de Sint-Sebastiaansgilde, waarvan nog een gildevlag uit de 16de eeuw op het gemeentehuis berust. Ze werd in 1921 ontbonden met als laatste voorzitter G. Panneels. De laatste wip stond aan de Kerklaan, ongeveer op de plaats waar thans het Viruscentrum is gebouwd.

 

Machelen kent hedendaags nog een uitgebreid muziekleven. In 1865 werd het "Genootschap Fanfaren van Machelen" opgericht, dat in 1900 tot harmonie werd omgevormd en dat we nu kennen als Koninklijke Harmonie Sint-Cecilia. Zeer actieve onderafdelingen kwamen in haar schoot tot stand o.m. de toneelafdeling "Broedermin " (1872), later betiteld als "Vondelkring" (1896), verder nog de "Dansende Meisjes" en de vrouwenafdeling "Euterpe". Een tweede muziekmaatschappij is de Koninklijke Fanfare Gevaertkring, die gegroeid was uit de voormalige vereniging "Nut en Vermaak" in het lokaal Rampelberg, begin van vorige eeuw. Enkele leden beslisten een nieuwe fanfare te stichten, die op 4 april 1909 tot stand kwam als "Gevaertkring" en in 1951 de titel van "Koninklijke" verwierf. Een tweede toneelkring is "Comoedia", opgericht in 1945 en die nog elk jaar voor cultureel volksvermaak instaat.
Tenslotte bezit Machelen ook nog sinds 1968 een "Uilenspiegelkoor", dat zich op gebied van zanguitvoeringen verdienstelijk maakt.

 

De paasdagen in Diegem staan tot op vandaag in het teken van de verering van Sint-Kornelius, "patroon tegen de kinderstuipen, jicht, vallende ziekte, sijskens, lammenadigheid en kinkhoest". Misschien is het dankzij deze "broodwinner" dat de bouw van een rijzige torenspits mogelijk gemaakt werd.

 

De afhankelijkheid van de abdij van Cornelimunster had sinds de 12de eeuw de H. Kornelius als kerkpatroon te Diegem ingevoerd. In 1462 was er sprake van een broederschap van Sint-Kornelius, die honderden inschrijvingen kende in de loop der volgende eeuwen. Er had destijds een feestelijke Ommeganc plaats, waaraan deelgenomen werd door speellieden en trompetters uit Brussel en vele Brabantse gilden (1543). Onder pastoor Willem van Pede (1614-39) werd H. Katarina als kerkpatrones ingevoerd, zodat we vandaag nog altijd spreken van de Sint-Katarinakerk. De bedevaarten verwijzen naar Sint-Kornelius, de tweede kerkpatroon. De volledige begankenis was volgens de volksmening niet zo simpel. Men moest al biddend eerst driemaal buiten, dan driemaal binnen de kerk rondgaan, de plechtige mis bijwonen, de relikwie vereren, zijn offergeld storten in de schaal of offerblok en de zieke of de ganse familie laten inschrijven in het register van de broederschap. Bovendien moest men de belofte doen een novene te houden en gedurende die 9 dagen van het gewijd water te drinken, dat men meegenomen had uit Sint-Korneliusborre. Het eerste gedeelte van deze gewoonten is tot op heden blijven voortbestaan.

 

Eeuwenlang was de toevloed van bedevaarders zo groot, dat men voor overnachting diende te zorgen. Daartoe werd de bovenverdieping van het zuiderportaal van de kerk tot "pelgrimskamer" aangewend. Binnenin de kerk ziet men nog een deur, vijf meter boven de begane grond, waarlangs men met een ladder de kamer kon bereiken. De gewoonte om levende dieren te offeren, verplichtte de pastoor er ook iets op te vinden. Naast de doopkapel werd daarom een kippenhok gebouwd, aan de binnenkant afgesloten met een schuifdeurtje. Daar werden de geofferde duiven, kippen en konijnen doorheen geschoven om na de mis bij opbod te worden verkocht. Dat gebeurde voor het laatst in 1960.

 

De Sint-Korneliusprocessie, die sinds enkele jaren in onbruik was geraakt, ging vanaf 1984 met Pasen toch weer opnieuw uit. De aloude Sint-Korneliusbedevaart houdt nog stand onder de benaming "Pasen-Diegem" en trekt nog elk jaar honderden bezoekers op paasmaandag. De Diegemnaars zelf gaan traditiegetrouw hun patroonheilige vereren op de navolgende dinsdag. In hun geheel genomen, vormen deze kerkelijke hoogdagen van weleer in de huidige tijd een reusachtige kermis .

Hydrografie

De hydrografie van Machelen steunt op een voormalige kleine rivier, de Woluwe. Na de eerste wereldoorlog werd een "Intercommunale voor de Gezondmaking van de Woluwevallei" opgericht, die een kunstmatige betonnen riool bouwde, een ondergrondse "collector", om de waters van de Woluwebeek op te vangen. In 1974 werd een spaarkom aangelegd in de buurt van de Woluwecollector, over een oppervlakte van 1 ha, om overstromingen op het lager gelegen gedeelte van Machelen en Vilvoorde te voorkomen. In het geheel werden aldus langsheen de Woluwe 10 spaarbekkens opgericht, vanaf Oudergem tot Machelen, kostprijs 2 miljard. In 1975 werd te Diegem een dienstgebouw opgetrokken, dat het waterdebiet over gans het hydrografisch bekken regelt.

 

Sindsdien is de rivier nog slechts op enkele plaatsen van zijn loop zichtbaar. Vroeger stroomde de Woluwe te Diegem door het domein Marga en te Machelen door dat van Beaulieu en verder via het bos van Matthys naar Vilvoorde. Thans loopt zij onder de Woluwelaan en de Kerklaan en verderop over het grondgebied van Vilvoorde, waar ze in de Zenne uitmondt.

 

De Trawoolbeek, die uit Peutie-bos komt, loopt onder de Leuvensesteenweg en zo verder langs het bos van Matthys naar Vilvoorde. De Vondelgracht begon vroeger, vóór de verkaveling van het domein Beaulieu, aan de vijvers van dit landgoed. Sinds die verkaveling werd ze merkelijk ingekort. Thans stroomt zij nog van de Kerklaan tot in de Trawoolbeek op het grondgebied van Vilvoorde. Tenslotte is er de Hollebeek, een bijvloed van de Woluwe, die we te Zaventem, Diegem en Machelen ontmoeten. Ze loopt verder over grondgebied Haren naar de Zenne.
Sinds de aanleg van reusachtige spaarkommen voor het opvangen van overvloedige regenwaters, gelegen aan het kruispunt van Luchthaven- en Woluwelaan (1975), verdween aldus de laatste bebossing op Machels grondgebied.

 

Bodemkundig gezien, heeft Diegem een golvend landschap aan weerszijden van het Woluwedal, met goed gedraineerde gronden, die in het noorden uit zandleem en licht-zandleem bestaan en in het zuiden lemig zijn. De gronden in het noorden zijn in feite "teruggelegde" gronden, na uitgraving van de onderliggende steenlagen (Le- diaan). De dorpskern ligt aan weerszijden van de Woluwerivier. Het noordelijk deel is nog vrij landelijk (Korenberg) , het zuiden is residentieel (Drie Linden). Het gehucht Diegem-Lo, grenzend aan Zaventem, verdween voor een groot deel door uitbreiding van de luchthaven van Zaventem, de aanleg van een grote verkeerswisselaar en de verbinding tussen de autosnelwegen en de Ring omheen Brussel.

Contact

Dienst Communicatie

Woluwestraat 1
1830 Machelen
T 02 254 12 11
F 02 252 57 40

Martine Bruggeman
T 02 254 12 38